Direct online oefenen! Meer dan 2500 opgaven! Gratis Proeftesten!
Direct oefenen

Page content

Analogieën

De analogieën subtest is onderdeel van het verbale intelligentiedomein. Ondanks dat de test wel iets met taal te maken heeft, gaat het meer om het zien van relaties tussen woorden. Een test bestaat veelal uit 30 tot 40 opgaven. Met name bij analogieën is het continu blijven oefenen erg belangrijk omdat daarmee je gevoel ontwikkelt voor de verschillende relaties die gebruikt worden.

Een analogie is een overeenkomst tussen bepaalde begrippen. Wat je moet doen is het leggen van relaties tussen woorden. Afhankelijk van de relatie die je legt komt een bepaalde oplossing in zicht. Aangezien er bij analogieën ook sprake is van meerkeuze antwoordalternatieven, dien je binnen de alternatieven de relatie tussen de begrippen te vinden. Er zijn verschillende varianten in omloop maar de meeste testen maken gebruik van dubbele gesloten analogieën. Dat houdt in dat je twee keuzes dient te maken uit een rij antwoordalternatieven.

Goed om te weten is dat een analogie eigenlijk te maken heeft met een verhouding. Oorspronkelijk zijn analogieën rekenkundige verhoudingen. Deze rekentruc mogen we ook bij taalkundige analogieën gebruiken.

Je kunt dus de termen omwisselen of kruisen. Er ontstaat dan een andere analogie of verhouding. Het getal waarmee je vermenigvuldigt verandert dus, maar er ontstaat weer een correcte analogie.

Bij woorden kunnen we dit ook toepassen. We gebruiken de onderstaande analogie om dit te verduidelijken.

Stuur staat tot fiets als roer staat tot boot.

Door te kruisen, ontstaat de volgende analogie.

Stuur staat tot roer als fiets staat tot boot.

Aan de linkerkant staan nu de stuurmiddelen en aan de rechterkant de vervoermiddelen. Wanneer er een dergelijke kruising is, dan is het lastiger om de oplossing te vinden. Wanneer je niet snel de relatie ontdekt, kijk dan of er misschien sprake is van een kruising.

Analogieën: relaties tussen woorden
Leer de verschillende relaties uit je hoofd. Schrijf ze op en leg ze op je bureau. Zoals bij alle tests gaat het om zo veel mogelijk opgaven goed maken in korte tijd, dus hoe sneller je de relaties ziet, des te beter. Zo houd je ook meer tijd over voor de moeilijkste analogieën.

  • Tegenstellingen/antoniemen. Heet-koud; klein-groot; oud-nieuw; snel-langzaam.
  • Gradaties. Groter dan (kleiner dan) en toe- en afname. Langer-korter; dikker-dunner; van weinig naar veel.
  • Deel/geheel. Gebruik hierbij oplossingszinnen zoals; is een element/ onderdeel van… of behoort tot….
  • Synoniemen. Een andere term voor hetzelfde woord. Kennis van de taal is dus wel degelijk van belang om snel de relatie te ontdekken. Zoek voortaan de betekenis van nieuwe woorden op, ook al begrijp je de betekenis ongeveer uit de context. Met name bij complexe analogieën speelt woordenschat een rol want als je een woord niet kent dan is het erg lastig om de juiste relaties te achterhalen.
  • Functies. Wordt gebruikt door…, wordt gemaakt door…, wordt vervaardigd in…, heeft als taak/ doel om….
  • Eigenschappen/kenmerken. Er zijn ontzettend veel kenmerken die gebruikt kunnen worden bij analogieën. Dit zijn slechts een aantal voorbeelden die vaak voorkomen. Hard-zacht, rond-vierkant, goed-slecht, glad-ruw, waardevol-goedkoop, massief-hol, scherp-bot.
  • Causale relaties. Wordt veroorzaakt door/ is het gevolg van…, leidt tot…, is ontstaan uit….

Tips voor het oplossen van analogie opgaven

  • De oplossingszin
    Gebruik een oplossingszin om de relatie te ontdekken. Bijvoorbeeld zoals een schilder met een kwast een doek schildert, zo gebruikt een timmerman een hamer.
  • Vermijd associatief redeneren
    Vermijd associatief redeneren. Het gaat om de relatie tussen woorden. Hoe verleidelijk het ook is om woorden te koppelen die in het dagelijks leven goed bij elkaar passen ( appel en sap), toch gaat het echt om de relaties die in de woordparen staan.
  • Vergeet de kruising niet.
    Een gekruiste analogie is lastig te ontdekken omdat de verschillende relaties niet makkelijk te herkennen zijn en ook de oplossingszin geen verheldering brengt.
  • Maak gebruik van de grammaticale classificatie.
    Als er sprake moet zijn van dezelfde relatie links en rechts dan is het zinvol om wanneer je er niet snel uitkomt, ook te kijken naar de grammaticale classificatie. Vaak worden werkwoorden (ww) en zelfstandige naamwoorden (zn) gebruikt bij een analogie.

  • Zorg dat je alle relaties kent
    Wanneer je de relaties goed kent dan herken je sneller het verband tussen de twee woordparen. Bij elke capaciteitentest is het verhogen van je snelheid essentieel om een hogere score te behalen. Ben je minder tijd kwijt aan de vaak voorkomende relaties, dan heb je meer tijd om de lastige opgaven te beantwoorden.
  • Verander je perspectief
    Doordat de analogie als een zin wordt weer gegeven gaat je brein er al snel een logische zin van maken met enige creativiteit. Hierdoor verlies je uit het oog dat het enkel en alleen om de relatie gaat die je moet herkennen. Het wijzigen van het perspectief werkt voor veel mensen goed om deze relaties sneller te zien.

Oefening baart kunst!

Het is erg belangrijk om te oefenen voor een capaciteitentest. Wanneer je niet oefent kan je score lager uitvallen en dit verlaagt vaak jouw kans op het krijgen van die felbegeerde baan! Door te oefenen kun je opgaven sneller en efficiënter oplossen, waardoor jouw score omhoog gaat.

Ga direct aan de slag met oefeningen voor analogieën en vele andere subtesten op:
 https://oya-training.nl/inloggen/