Direct online oefenen! Meer dan 2500 opgaven! Gratis Proeftesten!
Direct oefenen

Page content

Matrices

Abstracte testen maken bijna altijd deel uit van je assessment. Deze testen peilen je intellectuele en logische denkvermogen en zijn erg geschikt om jouw potentieel in te schatten. Bij abstracte testen hebben jouw opleiding, ervaring of achtergrond geen invloed op je resultaat, vandaar dat ze een goede voorspelling zijn naar je toekomstige ontwikkeling. Hoewel deze testen geen direct verband lijken te hebben met de inhoud van de functie waarvoor je solliciteert, geven ze een idee van de mate waarin jij oplossingen kunt vinden en of jij flexibel kunt werken met niet-vertrouwde informatie.

Elke matrixopgave bestaat uit zeventien figuren; negen opgavefiguren en acht antwoordalternatieven (A t/m H). Bij een matrixopgave zijn er drie mogelijkheden voor het toepassen van regels.

  • Dezelfde regel geldt zowel horizontaal als verticaal.
  • Er geldt horizontaal een bepaalde regel en er geldt verticaal een bepaalde regel.
  • De matrix is een doorlopende reeks van vakje 1 t/m vakje 9.

In bovenstaand voorbeeld wordt er zowel verticaal als horizontaal één regel toegepast. Zie het voorbeeld hieronder. Als je vakje 2 over vakje 3 schuift krijg je vakje 1 (horizontaal). Als je vakje 4 over vakje 5 schuift krijg je ook vakje 1. Zo geldt dit voor alle horizontale als verticale rijen. Het juiste antwoordalternatief wat dus op de plek van het vraagteken moet komen te staan (vakje 9) kunnen we dus op deze manier oplossen: vakje 6 + vakje 9 = vakje 3 en vakje 8 + vakje 9 = vakje 7. Het juiste antwoord moet dus zijn antwoordalternatief H.

 

Laten we nog een voorbeeldopgave doorlopen.

Het juiste antwoord is C. Bij dit voorbeeld geldt er horizontaal een bepaalde regel en geldt er verticaal een bepaalde regel.

  • Horizontaal verschilt de vorm wat betreft het aantal hoeken; vakjes 1, 4 en 7 bevatten per lijn twee hoeken. Vakjes 2, 5 en 8 bevatten per lijn 0 hoeken. Ten slotte bevatten de vakjes 3, 6 en 9 één hoek per lijn.
  • Verticaal verschilt de vorm wat betreft de raakvlakken van de figuren. De lijnen schuiven als het ware over elkaar heen. Vakjes 1, 2 en 3 raken elkaar alleen in het midden en overlappen nog niet. Vakjes 4, 5 en 6 raken elkaar op 2 punten. De twee lijnen zijn nog redelijk dicht bij elkaar. Vakjes 7, 8 en 9 raken elkaar ook op 2 punten maar er bevindt zich aanzienlijk meer ruimte tussen de twee lijnen.

Bij deze opgave geldt ook nog een andere gemeenschappelijkheid: alle figuren bevatten 1 dikke lijn en 1 dunne lijn. De dikke lijn schuift steeds verder naar boven, de dunne lijn schuift steeds verder naar beneden.

Tips voor matrix opgaven

Een matrixopgave kan dus zowel verschillen in de hoofdregels (horizontaal/verticaal dezelfde regel, horizontaal/verticaal aparte regel, doorlopende reeks) als in gemeenschappelijkheden. Er zijn dus veel dingen waar je op moet letten. Zelf een aantal matrixopgaven maken zou dus een goede oefening zijn; zo leer je creatief denken en de figuren op een overstijgend niveau bekijken.

Hieronder vind je een aantal veelvoorkomende kenmerken waar je naar kunt kijken bij de matrixopgaven. Probeer deze kenmerken goed te onthouden; hoe meer regels/gemeenschappelijkheden er in je hoofd zitten, hoe makkelijker het is om een matrixopgave snel te doorzien.

  • De kleuren. Welke kleurenpatronen komen voor per regel?
  • Het aantal elementen per figuur plus het aantal elementen per rij.
  • Iedere regel bevat bepaalde vormen.
  • Optellen of aftrekken. Vakje 1 + Vakje 2 = Vakje 3 of Vakje 1 – Vakje 2 = Vakje 3.
  • Een reeks; wordt een regel bijvoorbeeld steeds uitgebreider? Ofwel wordt een element steeds uitgebreider/groter?
  • De richting van een figuur. Wijst een lijn bijvoorbeeld altijd naar de linkerhoek of naar beneden?
  • Het zwaartepunt van een figuur. Elementen binnen een figuur kunnen naar één bepaalde kant toe trekken per verticale of horizontale regel.
  • Overlappingen, bijvoorbeeld in kleur. Bijvoorbeeld; blauw en groen leiden tot een rood figuur, terwijl paars en oranje leiden tot een geel figuur.
  • Rekensommen. Een voorbeeld; het aantal elementen boven in een figuur kan opgeteld worden of afgetrokken worden van het aantal elementen onder in een figuur.
  • Onderlinge verhouding. Zijn lijnstukken parallel aan elkaar of kruisen ze elkaar juist?
  • Patronen. Draait of verschuift een figuur binnen een regel?

Laten we bovenstaande kenmerken direct toepassen op de laatste voorbeeldopgave.

  • Ieder figuur bevat gele sterren (kleuren, vormen).
  • Ieder figuur bevat een kronkelende middenlijn, 2 schuine lijntjes en 1 verticaal lijntje (vormen).
  • We kunnen ook al concluderen dat zich niet evenveel sterren boven de lijn bevinden als onder de lijn als we de verticale en horizontale regels bekijken. Dit kenmerk kunnen we dus laten varen (aantal elementen).
  • Optellen en aftrekken kunnen we hier wel. Als we de sterren boven de lijn zien als PLUS en de sterren onder de lijn als MIN kunnen we mooie rekensommen maken. Sterren vakje 1 = +2, sterren vakje 4 = +1, sterren vakje 7 = + 3. Vakje 1 + vakje 4 = vakje 7! Dit controleren we nog even. Sterren vakje 1 = + 2, sterren vakje 2 = -4, sterren vakje 3 = -2. Vakje 1 + vakje 2 = vakje 3, namelijk 2-4 = -2.
  • Het laatste dat opvalt is dat er binnen een bepaalde rij, zowel horizontaal als verticaal, patronen zijn waar het gaat om de lijntjes. Ieder lijntje bevindt zich per rij in een andere hoek. Daarnaast blijft de linkerhoek in een figuur altijd leeg.

Oefening baart kunst!

Het is erg belangrijk om te oefenen voor een capaciteitentest. Wanneer je niet oefent kan je score lager uitvallen en dit verlaagt vaak jouw kans op het krijgen van die felbegeerde baan! Door te oefenen kun je opgaven sneller en efficiënter oplossen, waardoor jouw score omhoog gaat.

Ga direct aan de slag met oefeningen voor matrices en vele andere subtesten op:
 https://oya-training.nl/inloggen/